ECLI:NL:RVS:2023:2593
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- C.C.W. Lange
- Rechtspraak.nl
Beoordeling opschorting overdrachtstermijn bij bezwaar verblijfstitel slachtoffer mensenhandel
Deze zaak betreft de uitleg van de artikelen 29, eerste lid, en 27, derde lid, van de Dublinverordening, die de termijn regelen waarbinnen een vreemdeling moet worden overgedragen aan de verantwoordelijke lidstaat en de opschorting van die termijn bij bezwaar tegen het overdrachtsbesluit.
De vreemdeling diende een asielaanvraag in Italië in die werd afgewezen en later een aanvraag in Nederland. De staatssecretaris besloot de aanvraag niet in behandeling te nemen omdat Italië verantwoordelijk was. De vreemdeling maakte bezwaar tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een verblijfsvergunning als slachtoffer van mensenhandel, wat volgens Nederlands beleid de overdrachtstermijn opschortte.
Het Hof van Justitie oordeelde echter dat een bezwaar tegen een afwijzing van een verblijfstitel als slachtoffer van mensenhandel niet kan worden beschouwd als een bezwaar tegen het overdrachtsbesluit en dus niet leidt tot opschorting van de overdrachtstermijn. De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt dit oordeel en stelt vast dat de overdrachtstermijn in deze zaak is verstreken, waardoor Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag.
De staatssecretaris stelde dat een voorlopige voorziening in hoger beroep de overdrachtstermijn opschortte, maar de Afdeling verwierp dit betoog omdat de termijn uiterlijk op 7 oktober 2020 was verstreken. Het hoger beroep van de staatssecretaris is ongegrond verklaard en de proceskosten zijn aan hem opgelegd.
Uitkomst: De Afdeling bevestigt dat bezwaar tegen afwijzing verblijfstitel als slachtoffer mensenhandel niet leidt tot opschorting overdrachtstermijn; Nederland is verantwoordelijk voor de asielaanvraag.