ECLI:NL:RVS:2023:3126
Raad van State
- Hoger beroep
- C.H.M. van Altena
- H.G. Sevenster
- C.J. Borman
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank over zorgtoeslag en partnerbegrip in Awir
De Belastingdienst/Toeslagen had in april 2021 de voorschotten zorg- en kinderopvangtoeslag voor de wederpartij voor 2021 herzien en vastgesteld op nihil, omdat de wederpartij op dat moment een toeslagpartner had volgens artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir).
De rechtbank Amsterdam oordeelde in juni 2022 dat het besluit van 11 mei 2022 onevenredig was en vernietigde dit besluit, waarbij zij het toekennen van zorgtoeslag over de periode mei tot en met november 2021 bepleitte. De rechtbank baseerde dit onder meer op bijzondere omstandigheden zoals de medische klachten van de zoon van de wederpartij, haar lage inkomen, en de onmogelijkheid om snel op de woningmarkt te reageren.
De Belastingdienst/Toeslagen stelde hoger beroep in en voerde aan dat artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de Awir dwingend is en niet aan het evenredigheidsbeginsel kan worden getoetst. De Afdeling bestuursrechtspraak volgde dit standpunt, verwijzend naar een eerdere uitspraak van 1 maart 2023, en oordeelde dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die een contra-legem toepassing van het evenredigheidsbeginsel rechtvaardigen.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank Amsterdam en verklaarde het beroep tegen het besluit van 11 mei 2022 ongegrond, voor zover geen zorgtoeslag over 2021 werd toegekend. Proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van 11 mei 2022 wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank Amsterdam vernietigd.