ECLI:NL:RBROT:2024:12947

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
20 december 2024
Publicatiedatum
19 december 2024
Zaaknummer
ROT 23/5684
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55b AwbArt. 8:55d Awb
Verwijzingen
7 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging dwangsom bij niet tijdig beslissen door Dienst Toeslagen

Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft het verzet van een opposante tegen de hoogte van een door de rechtbank eerder opgelegde dwangsom aan de Dienst Toeslagen wegens niet tijdig beslissen op een verzoek om aanvullende compensatie.

De rechtbank had bepaald dat de dwangsom €50 per dag bedraagt met een maximum van €15.000. De opposante vond deze dwangsom te laag en wees op eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak die een hogere dwangsom van €100 per dag hanteerden. De rechtbank verwees naar eerdere motiveringen waarin deze lagere dwangsom als toereikend werd beschouwd, mede vanwege de inspanningen van de Dienst Toeslagen en de omvang van de hersteloperatie.

De rechtbank concludeerde dat de lagere dwangsom voldoende prikkelwerking heeft en dat het maximum van €15.000 pas na 300 dagen wordt bereikt, wat herhaalde beroepen moet verminderen. Het verzet werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bleef in stand. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De rechtbank handhaaft een dwangsom van €50 per dag met een maximum van €15.000 en verklaart het verzet ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 23/5684 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 december 2024 op het verzet van

[Naam] ([Naam]), uit [Plaats], opposante

(gemachtigde: mr. M. van Tiel),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 29 augustus 2024 in het geding tussen
[Naam]
en

Dienst Toeslagen, verweerder.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van [Naam] gaat over de uitspraak van de rechtbank van 29 augustus 2024 waarin de rechtbank onder meer heeft bepaald dat verweerder binnen zes weken alsnog dient te beslissen op het verzoek om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade onder verbeurte van een dwangsom van € 50,- per dag met een maximum van € 15.000,-.
2. [Naam] heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.

Beoordeling door de rechtbank

3. In verzet dient de rechtbank te beoordelen of een behandeling van de zaak ter zitting tot een andere uitkomst had kunnen leiden dan de vereenvoudigde afdoening die heeft plaatsgevonden.
4. Het verzet is uitsluitend gericht tegen de hoogte van de dwangsom die de rechtbank heeft bepaald. Volgens [Naam] is een dwangsom van € 50,- per dag met een maximum van € 15.000,- te mild (dit ook gelet op het tijdstip waarop de rechtbank uitspraak heeft gedaan) en heeft de rechtbank niet gemotiveerd waarom de standaard dwangsom van
€ 100,- per dag buitenproportioneel is. Volgens [Naam] is in de uitspraak van de rechtbank van 15 juli 2024 (ECLI:NL:RBROT:2024:6560) waarin is gekozen voor een dwangsom van € 50,- per dag, niet goed gemotiveerd. Dat de nadere beslistermijnen door de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT) niet worden gehaald, was namelijk al bekend ten tijde van de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 augustus 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:3208 en ECLI:NL:RVS:2023:3209), terwijl het aantal aanmeldingen sinds november 2022 niet meer significant is gestegen en de capaciteit van het UHT juist is toegenomen. Gelet hier was er geen aanleiding om af te wijken van de lijn van de Afdeling om de dwangsom vast te stellen op € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,-. Voorts wijst [Naam] er op dat de afwijkende lijn van de rechtbank leidt tot rechtsongelijkheid, omdat andere rechtbanken wel een dwangsom van
€ 100,- per dag hanteren.
5. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.
6. Uit artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb volgt dat het aan de bestuursrechter wordt gelaten om de hoogte van de dwangsom vast te stellen. In haar uitspraak van 15 juli 2024 heeft een meervoudige kamer van de rechtbank onder punt 4.5 het volgende overwogen met betrekking tot onder meer de keuze om de dwangsom voortaan vast te stellen op € 50,- per dag met een maximum van € 15.000,- (citaat zonder voetnoot):
“De rechtbank rekent het wel tot haar taak om bij het bepalen van de hoogte van de dwangsom rekening te houden met alle relevante omstandigheden. Hiervoor onder 1.8 heeft de rechtbank geïllustreerd dat de Dienst Toeslagen ten aanzien van dezelfde aanvrager meerdere dwangsommen kan verbeuren. Hoewel het zeer onwenselijk is dat aanvragers lang moeten wachten op beslissingen, acht de rechtbank het disproportioneel dat de Dienst Toeslagen meermaals € 15.000,- aan dwangsommen ten aanzien van dezelfde aanvrager kan verbeuren. Dit is in de gegeven omstandigheden niet meer in overeenstemming met het hiervoor geschetste karakter van de dwangsom. De rechtbank ziet, alles afwegende, aanleiding de hoogte van de dwangsom in alle beroepen niet-tijdig beslissen over besluiten op grond van de Wht te bepalen op € 50,- per dag met een maximum van € 15.000,-. Dat van een dwangsom van € 50,- onvoldoende prikkelwerking uitgaat, acht de rechtbank niet aannemelijk, gelet op de grote inspanningen die de Dienst Toeslagen verricht om de processen te versnellen en de hersteloperatie spoedig af te ronden. Het bepalen van de dwangsom op € 50,- per dag heeft ook tot gevolg dat het maximum niet al na 150 dagen maar pas na 300 dagen wordt bereikt, waarmee de noodzaak tot het instellen van een herhaald beroep niet-tijdig beslissen over hetzelfde uitblijvende besluit wordt verminderd.”
7. De rechtbank is van oordeel dat hiermee toereikend is gemotiveerd waarom voortaan door de rechtbank in deze zaken de dwangsom wordt bepaald op € 50 per dag met een maximum van € 15.000. Deze lijn heeft een meervoudige kamer van de rechtbank nadien herhaald (ECLI:NL:RBROT:2024:7458). Dat andere rechtbanken een hogere dwangsom per dag hanteren (en een andere nadere termijn), brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Indien de Afdeling in het hoger beroep tegen de uitspraak van 15 juli 2024 tot een andere afweging komt, zal de rechtbank bezien welke gevolgen dit voor toekomstige gevallen heeft. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de rechtbank terecht toepassing heeft gegeven aan artikel 8:54 van Pro de Awb door de zaak zonder zitting af te doen.
8. Dat de rechtbank daarbij de termijn van artikel 8:55b, eerste lid, van de Awb niet in acht heeft genomen is betreurenswaardig, maar kan niet tot een ander resultaat leiden. Dat deze zaak veel te lang bij de rechtbank heeft gelegen, illustreert overigens wel dat het bestuur en de rechtspraak worden overspoeld met een grote hoeveelheid zaken die samenhangen met de hersteloperatie.

Conclusie en gevolgen

9. De gronden van het verzet slagen niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 29 augustus 2024. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Dingemanse, rechter, in aanwezigheid van
mr. R. Stijnen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 december 2024.
De griffier en de rechter zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen in de bodemzaak op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.