Deze bestuursrechtelijke zaak betreft het beroep van eiseres tegen het niet tijdig beslissen door de Dienst Toeslagen op haar aanvraag om vergoeding van werkelijke schade bij de kinderopvangtoeslag. De aanvraag dateert van 23 augustus 2023, en na een ingebrekestelling op 5 september 2024 bleef een besluit uit. De rechtbank verklaart het beroep ontvankelijk en gegrond.
De rechtbank sluit aan bij de recente jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarin is vastgesteld dat vanwege de structurele overschrijding van beslistermijnen door de Dienst Toeslagen en de capaciteitsproblemen bij de Commissie Werkelijke Schade (CWS), een nadere beslistermijn van 60 weken passend is. Deze termijn geldt ook voor aanvragen om aanvullende schadevergoeding, ondanks dat de Afdelingsuitspraken primair op bezwaarprocedures zien.
De rechtbank weegt het belang van de aanvrager bij een spoedige beslissing af tegen de noodzaak voor de Dienst Toeslagen om zorgvuldig te kunnen besluiten. Gezien de huidige doorlooptijden van meer dan 800 dagen en het ontbreken van concrete verbeteringen, acht de rechtbank de termijn van 60 weken niet onrealistisch of onevenredig. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag tot een maximum van €15.000 opgelegd voor overschrijding van deze termijn.
De rechtbank wijst het verzoek van de Dienst Toeslagen af om bepaalde periodes buiten de beslistermijn te houden, omdat dit de prikkel tot verbetering zou ondermijnen. Tot slot wordt de Dienst Toeslagen opgedragen uiterlijk 17 oktober 2025 een besluit te nemen, onder dreiging van de genoemde dwangsom. De proceskosten van eiseres worden volledig vergoed.