ECLI:NL:RBDHA:2024:10685
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- M.M.L. Wijnen
- M.H. DworakowskiKelders
- S.D.M. Michael
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet tijdig beslissen op aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf nareis
Eiser diende op 27 juni 2023 een aanvraag in voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor zijn echtgenote en drie kinderen in het kader van nareis. De minister heeft niet binnen de wettelijke beslistermijn van 90 dagen, met mogelijke verlenging tot 180 dagen, op deze aanvraag beslist. Eiser stelde de minister op 16 januari 2024 in gebreke en startte vervolgens op 28 februari 2024 een beroep wegens het uitblijven van een besluit.
De minister erkende de overschrijding van de beslistermijn en voerde aan dat het FiFo-principe (First in First Out) wordt gehanteerd om nareisaanvragen te behandelen, wat leidt tot een achterstand en langere wachttijden. De rechtbank oordeelt dat dit principe geen grond biedt om de wettelijke beslistermijn te verlengen of het beroep niet te behandelen. Wel erkent de rechtbank dat sprake is van een bijzonder geval vanwege de hoge instroom en beperkte capaciteit, waardoor een langere termijn kan worden toegestaan.
De rechtbank stelt een termijn van acht weken na de uitspraak vast waarbinnen de minister alsnog een besluit moet nemen, met een verlenging tot twintig weken indien nader onderzoek nodig is. De minister moet een dwangsom van €100 per dag betalen bij overschrijding, met een maximum van €7.500. Daarnaast wordt de bestuurlijke dwangsom vastgesteld op €1.442 vanwege de verstreken periode. Eiser wordt vrijgesteld van griffierecht en krijgt een proceskostenvergoeding van €437,50 toegewezen.
De uitspraak benadrukt dat het de taak van de bestuursrechter is om individuele rechtsbescherming te bieden en niet om structurele oplossingen te creëren voor capaciteitsproblemen bij de minister. De rechtbank verwijst naar eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak en bevestigt dat het FiFo-principe geen afwijking van de wettelijke termijnen rechtvaardigt.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en draagt de minister op binnen acht weken een besluit te nemen, met een dwangsom bij overschrijding.