ECLI:NL:RVS:2023:3222
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bevoegdheid rechtbank inzake gedoogplicht aanleg strekdammen Natura 2000-gebied
De minister van Infrastructuur en Waterstaat heeft aan appellant medegedeeld dat hij de aanleg en het behoud van twee strekdammen op zijn perceel moet gedogen vanwege instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied Westerschelde & Saeftinghe. Appellant maakte bezwaar en stelde beroep in bij de rechtbank, die zich bevoegd achtte en het beroep gegrond verklaarde. De minister ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelt dat de mededeling van de minister geen besluit is in de zin van artikel 1:3 Awb Pro, omdat de gedoogplicht rechtstreeks uit de wet volgt en de mededeling geen rechtsgevolg heeft. Hoewel de mededeling een bestuurlijk rechtsoordeel bevat, is dat geen besluit en is er geen uitzonderlijke situatie die rechtvaardigt dat het rechtsoordeel als besluit wordt aangemerkt voor rechtsbescherming.
De Afdeling stelt vast dat de vraag of de aanleg van de strekdammen gedoogplichtig is, niet bestuursrechtelijk aan de orde kan komen en dat appellant alleen via de burgerlijke rechter zijn geschil kan beslechten. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld bevoegd te zijn. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de rechtbank onbevoegd verklaard. De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De rechtbank is onbevoegd om kennis te nemen van het beroep tegen de mededeling van de minister over de gedoogplicht voor aanleg strekdammen.