Uitspraak
Datum uitspraak: 25 augustus 2023
BESTUURSRECHTSPRAAK
lid van de enkelvoudige kamer
Raad van State
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 18 mei 2020 de aanvragen van vreemdelingen om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Hiertegen maakten de vreemdelingen bezwaar, dat op 2 februari 2021 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdelingen eveneens ongegrond op 7 juli 2021. De vreemdelingen stelden hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat het beroep op artikel 8 EVRM Pro faalde, omdat zij enkel had vastgesteld dat er geen hechte persoonlijke banden bestonden met de in Nederland verblijvende tante. De Afdeling benadrukte dat de staatssecretaris bij een beroep op artikel 8 EVRM Pro altijd een volledige belangenafweging moet maken, waarin alle relevante feiten en omstandigheden worden betrokken. Deze belangenafweging ontbrak in het bestreden besluit.
Daarom vernietigde de Raad van State zowel het vonnis van de rechtbank als het besluit van de staatssecretaris. De staatssecretaris wordt opgedragen binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen, waarbij de vreemdelingen worden gehoord conform artikel 7:2 Awb Pro, tenzij een uitzondering van toepassing is. Tevens moet de staatssecretaris de proceskosten vergoeden. Het griffierecht hoeft niet vergoed te worden omdat dit niet geheven is in hoger beroep.
Uitkomst: Het besluit van de staatssecretaris wordt vernietigd wegens onvoldoende belangenafweging en er moet een nieuw besluit worden genomen.