ECLI:NL:RVS:2023:3270
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep in bestuursrechtelijke zaak over Dublinverordening
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag in een bestuursrechtelijke zaak over de toepassing van de Dublinverordening. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vroeg het Hof van Justitie om een prejudiciële beslissing over de uitleg van de Dublinverordening. Na beantwoording van deze vraag door het Hof van Justitie trokken de staatssecretaris en de vreemdeling het hoger beroep in. De vreemdeling verzocht vervolgens om proceskostenvergoeding.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat op grond van artikel 8:118, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het bestuursorgaan bij intrekking van het hoger beroep op verzoek van een partij met toepassing van artikel 8:75 Awb Pro in de kosten kan worden veroordeeld. De gemaakte kosten door de vreemdeling betroffen onder meer schriftelijke uiteenzettingen, reacties, het bijwonen van zittingen en het indienen van zienswijzen.
De Afdeling zag geen aanleiding om de hoogte van de proceskostenveroordeling aan te passen aan een eerdere uitspraak, omdat in die zaak meer proceshandelingen waren verricht. De Afdeling veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten van € 6.277,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 29 augustus 2023.
Uitkomst: De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 6.277,50 aan de vreemdeling na intrekking van het hoger beroep.