ECLI:NL:RVS:2023:3728
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- N. Verheij
- B. Meijer
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank over proceskostenvergoeding in asielzaak
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 14 januari 2022 de aanvraag van een vreemdeling voor een verblijfsvergunning asiel af. Later trok de staatssecretaris dit besluit op 29 juni 2023 in. De vreemdeling stelde beroep in tegen het oorspronkelijke besluit en tegen het niet tijdig nemen van een besluit, maar de rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit niet-ontvankelijk en oordeelde dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen gegrond was. De rechtbank legde een proceskostenvergoeding van € 837,00 op aan de staatssecretaris.
De vreemdeling ging in hoger beroep tegen de hoogte van deze proceskostenvergoeding en stelde dat de rechtbank de staatssecretaris had moeten veroordelen tot een hogere vergoeding van € 1.255,50, omdat de rechtbank onvoldoende inzicht gaf over welke procedure de kosten betroffen en omdat het bedrag te laag was. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank onvoldoende heeft gemotiveerd en dat het vastgestelde bedrag te laag is, ongeacht of het betrekking had op het beroep tegen het besluit of tegen het niet tijdig beslissen.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het deel van het vonnis over de proceskosten en bepaalde dat de staatssecretaris een totaalbedrag van € 1.674,00 moet vergoeden aan de vreemdeling, inclusief proceskosten voor het hoger beroep, met toepassing van een wegingsfactor 'licht'.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot een hogere proceskostenvergoeding van € 1.674,00.