ECLI:NL:RVS:2023:3745
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf vreemdeling
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 13 juli 2021 de aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf te verkrijgen af. Hiertegen maakte de vreemdeling bezwaar, dat op 16 februari 2022 ongegrond werd verklaard door dezelfde staatssecretaris. Vervolgens stelde de vreemdeling beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 12 juli 2022 het beroep ongegrond verklaarde.
De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Deze Afdeling heeft het hoger beroep beoordeeld en geoordeeld dat de rechtbank terecht en op goede gronden tot haar oordeel is gekomen. De motivering van de rechtbank is overgenomen zonder verdere nadere motivering, omdat het hogerberoepschrift geen relevante vragen bevatte die de rechtseenheid, rechtsontwikkeling of algemene rechtsbescherming raken.
De Afdeling bestuursrechtspraak verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. De staatssecretaris werd niet veroordeeld tot vergoeding van proceskosten. Hiermee blijft de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf ongewijzigd in stand.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf bevestigd.