Uitspraak
Datum uitspraak: 17 oktober 2023
BESTUURSRECHTSPRAAK
2. [de vreemdeling],
appellanten,
lid van de enkelvoudige kamer
griffier
Raad van State
De vreemdeling had beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De rechtbank had dit beroep gegrond verklaard, het niet tijdig nemen van het besluit gelijkgesteld aan een besluit, en de staatssecretaris opgedragen binnen zestien weken alsnog een besluit te nemen. Tevens werd een dwangsom opgelegd voor elke dag overschrijding.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak, terwijl de vreemdeling incidenteel hoger beroep instelde. De Raad van State oordeelde dat het hoger beroep van de staatssecretaris geen nieuwe rechtsvragen bevat die in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming beantwoord moeten worden. Ook het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling bood geen aanleiding tot een ander oordeel.
De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep en incidenteel hoger beroep ongegrond. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling, waarbij de zaak als licht werd aangemerkt en een wegingsfactor van 0,5 werd toegepast.
Uitkomst: De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en het hoger beroep en incidenteel hoger beroep worden ongegrond verklaard.