202205449/1/V2.
Datum uitspraak: 25 oktober 2023
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 'sHertogenbosch, van 25 augustus 2022 in zaak nr. NL21.14122 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 9 augustus 2021 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 25 augustus 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J. van Veelen-de Hoop, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. De vreemdeling klaagt in zijn derde grief dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 9 augustus 2021 in stand heeft gelaten. De vreemdeling betoogt dat de rechtbank onvoldoende heeft gemotiveerd waarom aan de tegenwerpingen die overblijven, doorslaggevend gewicht toekomt.
1.1. De rechtbank had in dit geval moeten volstaan met een vernietiging van het besluit van 9 augustus 2021 en had de herbeoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas moeten overlaten aan de staatssecretaris. De rechtbank heeft namelijk onvoldoende betekenis toegekend aan de door haarzelf vastgestelde omstandigheid dat de staatssecretaris een aantal wezenlijke elementen van het asielrelaas, over alle vier de thema’s van de seksuele gerichtheid van de vreemdeling en de problemen als gevolg van die seksuele gerichtheid, ondeugdelijk heeft gemotiveerd. Door vervolgens zelf het gewicht van de overblijvende elementen van het asielrelaas te bepalen, heeft de rechtbank het relaas ten onrechte zelf beoordeeld op geloofwaardigheid. Daarbij komt dat zij niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom zij van oordeel is dat aan die overige elementen in dat verband doorslaggevend gewicht toekomt. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 30 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1513, onder 1.1. 1.2. De grief slaagt.
2. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd voor zover de rechtbank heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 9 augustus 2021 in stand blijven. Het is niet nodig wat de vreemdeling verder heeft aangevoerd te bespreken. De staatssecretaris moet in een nieuw te nemen besluit immers het gehele asielrelaas opnieuw integraal beoordelen en alle elementen daarbij in samenhang bezien. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 25 augustus 2022 in zaak nr. NL21.14122, voor zover de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 9 augustus 2021 in stand heeft gelaten;
III. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot
vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling
van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 837,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.P.M. Zwinkels, griffier.
w.g. Meijer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Zwinkels
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2023
309-1021