ECLI:NL:RVS:2023:3970
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens verstreken overdrachtstermijn Dublinverordening
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid nam de asielaanvraag van de vreemdeling niet in behandeling, omdat Italië op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk zou zijn. Tijdens de procedure deed de vreemdeling aangifte van mensenhandel, die door de staatssecretaris werd aangemerkt als een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier op humanitaire gronden. Deze aanvraag werd afgewezen en het bezwaar ongegrond verklaard.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State onderzocht of de overdrachtstermijn van de Dublinverordening was verstreken. De staatssecretaris stelde dat de termijn was opgeschort door het bezwaar, maar de Afdeling oordeelde dat het bezwaar tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning als slachtoffer van mensenhandel de overdrachtstermijn niet opschort. De termijn liep daardoor af op 3 september 2020, waarna Nederland verantwoordelijk werd voor de asielaanvraag.
Omdat de vreemdeling met het verlopen van de overdrachtstermijn het beoogde resultaat had bereikt, had hij geen belang meer bij een inhoudelijke behandeling van het hoger beroep. Daarom verklaarde de Afdeling het hoger beroep niet-ontvankelijk. Tevens werd bevestigd dat de staatssecretaris geen proceskosten hoeft te vergoeden in dit geval.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling is niet-ontvankelijk verklaard omdat de overdrachtstermijn was verstreken en Nederland verantwoordelijk werd voor de asielaanvraag.