ECLI:NL:RVS:2023:4265
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit Belastingdienst over kindgebonden budget bij niet-rechtmatig verblijf partner
De Belastingdienst/Toeslagen had bij besluit van 21 november 2019 de voorschotten zorgtoeslag, kindgebonden budget en huurtoeslag van appellante voor de laatste twee maanden van 2019 herzien, waarbij werd vastgesteld dat haar partner geen rechtmatig verblijf in Nederland had vanaf 3 oktober 2019. Op grond van artikel 9, tweede lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) werd appellante daarom het recht op toeslagen ontzegd. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond.
In hoger beroep betoogde appellante dat haar partner als gemeenschapsonderdaan rechtmatig verblijf had en dat artikel 9, tweede lid, Awir in strijd is met het ongeschreven evenredigheidsbeginsel. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het rechtmatig verblijf van de partner niet was aangetoond, mede gelet op eerdere onherroepelijke uitspraken en het ontbreken van een afhankelijkheidsverhouding met de minderjarige dochter. Wel werd geoordeeld dat het standpunt van de Belastingdienst ten aanzien van het kindgebonden budget onjuist was, omdat een wetswijziging per 1 januari 2022 duidelijk maakt dat in dergelijke situaties het kindgebonden budget wel toegekend moet worden.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van de Belastingdienst voor zover het kindgebonden budget betreft. De Belastingdienst werd opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen. Tevens werd bepaald dat tegen dit nieuwe besluit alleen beroep kan worden ingesteld bij de Afdeling. De Belastingdienst werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van appellante.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit over het kindgebonden budget vernietigd, met opdracht tot nieuw besluit.