ECLI:NL:RVS:2023:4215
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak over recht op toeslagen wegens onterecht ontbreken afgeleid verblijfsrecht partner
De zaak betreft het hoger beroep van appellant tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam die het beroep tegen besluiten van de Belastingdienst/Toeslagen ongegrond verklaarde. De kern van het geschil is of de toeslagpartner van appellant rechtmatig in Nederland verbleef, wat bepalend is voor de aanspraak op zorgtoeslag, kindgebonden budget en huurtoeslag over de maanden november en december 2019 en het jaar 2020.
De Belastingdienst/Toeslagen stelde dat appellant geen recht had op toeslagen omdat haar partner geen rechtmatig verblijf had volgens artikel 8 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Appellant voerde aan dat haar partner op grond van artikel 20 van Pro het VWEU en het arrest Chavez-Vilchez een afgeleid verblijfsrecht had, wat onvoldoende was onderzocht. Tevens stelde appellant dat het ongeschreven evenredigheidsbeginsel toepassing verdient vanwege de ingrijpende gevolgen voor het kind.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de Belastingdienst/Toeslagen onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar het afgeleid verblijfsrecht van de partner, mede gelet op het arrest XU en QP van het Hof van Justitie. Ook werd geoordeeld dat het ongeschreven evenredigheidsbeginsel toepassing vindt op het kindgebonden budget over de relevante periode. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd, de besluiten van de Belastingdienst/Toeslagen worden vernietigd en de dienst wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de overwegingen in deze uitspraak.
Uitkomst: Hoger beroep gegrond verklaard, uitspraak rechtbank vernietigd, en Belastingdienst/Toeslagen opgedragen nieuw besluit te nemen over toeslagen met inachtneming van afgeleid verblijfsrecht.