ECLI:NL:RVS:2023:4334
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing urgentieverklaring wegens onvoldoende schrijnend huisvestingsprobleem
Appellant heeft op 17 juni 2020 een urgentieverklaring aangevraagd omdat hij met zijn partner en kinderen bij zijn ouders woont, die medische problemen hebben en willen dat hij verhuist. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees de aanvraag af omdat appellant geen urgent huisvestingsprobleem zou hebben, mede omdat hij zijn situatie had kunnen voorkomen door een gezin te stichten zonder passende woonruimte.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze afwijzing ongegrond. Appellant stelde dat de woning van zijn ouders te klein is voor zes personen en dat zijn ouders willen verhuizen, maar dat dit niet kan zolang hij met zijn gezin in de woning verblijft. De Raad van State oordeelt dat de rechtbank gemotiveerd heeft geoordeeld dat er geen urgent huisvestingsprobleem is en dat appellant geen nieuwe gronden heeft aangevoerd die dit oordeel onjuist maken.
De Afdeling erkent dat de woonsituatie nijpend is, maar wijst erop dat de woningmarkt in Amsterdam zeer krap is en dat de situatie van appellant niet zodanig schrijnend of bijzonder is dat het college verplicht was een urgentieverklaring te verstrekken. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de urgentieverklaring bevestigd.