ECLI:NL:RVS:2023:4433
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf wegens ontbreken reële afhankelijkheid
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 3 september 2020 de aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Het bezwaar hiertegen werd op 4 mei 2021 ongegrond verklaard. De rechtbank Den Haag bevestigde dit bij uitspraak van 28 maart 2022. De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling verwijst naar eerdere jurisprudentie, waaronder de uitspraak van 19 april 2016 en het arrest Reyes van het Hof van Justitie, waarin is bepaald dat het enkel ontvangen van geld van een referent niet automatisch leidt tot een situatie van reële afhankelijkheid. Het geld moet noodzakelijk zijn om in de basisbehoeften in het land van herkomst te voorzien.
De vreemdeling heeft niet aannemelijk gemaakt dat het ontvangen geld noodzakelijk is voor zijn basisbehoeften, waardoor de Afdeling het oordeel van de rechtbank bevestigt. Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt bevestigd.