Uitspraak
(gemachtigde: mr. L.E. Beket).
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
Conclusie en gevolgen
Beslissing
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep
Rechtbank Den Haag
Eiseres, een Colombiaanse vrouw die sinds januari 2022 in Nederland verblijft, verzocht om een verblijfsdocument EU/EER op grond van artikel 9, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000, vanwege haar verblijf bij haar dochter met de Portugese nationaliteit. De minister van Asiel en Migratie wees de aanvraag af omdat eiseres niet aannemelijk had gemaakt dat zij minimaal één jaar ononderbroken materiële ondersteuning ontving van haar dochter, noch dat zij een inwonend gezinslid was, noch dat er sprake was van een familieleven met bijkomende afhankelijkheid zoals vereist onder artikel 8 EVRM Pro.
Eiseres voerde in beroep aan dat zij wel degelijk materiële ondersteuning ontving, onderbouwd met bankafschriften en medische stukken, en dat zij en haar dochter in Colombia hadden samengewoond. Tevens stelde zij dat de belangenafweging onder artikel 8 EVRM Pro onjuist was gemaakt. De rechtbank oordeelde dat eiseres onvoldoende bewijs leverde van de noodzakelijke en reële materiële ondersteuning, mede omdat de bankafschriften vooral betalingen aan derden betroffen en de economische en sociale situatie in Colombia niet inzichtelijk was gemaakt. Ook was de samenwoning onvoldoende aangetoond en ontbraken bijkomende elementen van afhankelijkheid.
De rechtbank volgde de minister in zijn standpunt dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden voor het verblijfsrecht als familielid van een Unieburger en dat de belangenafweging terecht negatief uitviel. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Eiseres kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van het verblijfsdocument EU/EER wordt ongegrond verklaard.