Uitspraak
Datum uitspraak: 27 december 2023
AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK
2. het dagelijks bestuur van het Waterschap De Dommel,
appellanten,
voorzitter
griffier
Raad van State
Het dagelijks bestuur van het Waterschap De Dommel legde een last onder dwangsom op aan de appellant wegens overtreding van artikel 6.2 van de Waterwet, doordat verontreinigd afvalwater van zijn perceel in een oppervlaktewaterlichaam stroomde. Na vaststelling van overtredingen in 2019 en 2020 werden dwangsommen verbeurd en invorderingsbesluiten genomen.
De rechtbank vernietigde eerdere invorderingsbesluiten wegens verjaring van de bevoegdheid tot invordering. Het dagelijks bestuur en appellant gingen in hoger beroep tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt dat de bevoegdheid tot invordering van de dwangsommen is verjaard, omdat de verjaring niet tijdig is gestuit. De brief van het dagelijks bestuur ontbeerde de vereiste aanmaning.
Verder oordeelt de Afdeling dat de appellant geen nieuwe gronden kan aanvoeren tegen de last onder dwangsom, tenzij evident is dat geen overtreding heeft plaatsgevonden. De Afdeling volgt het oordeel dat de kavelsloot een oppervlaktewaterlichaam is en dat sprake is van lozing. De bezwaren over proceskosten en schadevergoeding worden afgewezen. Het hoger beroep van appellant en dagelijks bestuur wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Afdeling bevestigt dat de bevoegdheid tot invordering van de dwangsommen is verjaard en verklaart het hoger beroep ongegrond.