ECLI:NL:RVS:2023:585
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling boete voor overtredingen Wet arbeid vreemdelingen na hoger beroep
De zaak betreft een hoger beroep van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam die de boete van €27.000,00 aan [wederpartij] wegens overtredingen van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) had gematigd tot €13.500,00.
De overtredingen betroffen het laten verrichten van arbeid door een vreemdeling zonder de vereiste vergunning, het niet vaststellen van identiteit en het niet voldoen aan vorderingen van de toezichthouder. De rechtbank matigde de boete met 50% vanwege de duur en omvang van de arbeid en de termijn tussen ambtshandeling en boeterapport.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat de matiging wegens duur en omvang onterecht was, omdat het ging om twee tot drie dagen betaalde arbeid en geen marginale arbeid. De redelijke termijn was niet overschreden. De Afdeling stelt dat sprake is van normale verwijtbaarheid voor overtreding van artikel 2 Wav Pro, wat leidt tot 50% van het boetenormbedrag (€4.000). Voor overtreding van artikel 15a Wav is grove schuld vastgesteld, wat 75% van het boetenormbedrag (€6.000 per overtreding) betekent. Voor overtredingen van artikel 15 Wav Pro blijft de boete op €1.500 per overtreding.
De totale boete wordt vastgesteld op €19.000,00. De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De uitspraak vervangt het vernietigde gedeelte van het besluit van 28 december 2020.
Uitkomst: De boete wordt definitief vastgesteld op €19.000,00 en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.