ECLI:NL:RVS:2023:761
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel na nieuwe toekenning
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 3 augustus 2021 aanvragen van twee vreemdelingen af om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. De vreemdelingen stelden beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 16 november 2022 de beroepen gegrond verklaarde en de besluiten vernietigde. De rechtbank bepaalde dat de staatssecretaris nieuwe besluiten moest nemen en veroordeelde hem tot proceskostenvergoeding.
De vreemdelingen gingen vervolgens in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Inmiddels had de staatssecretaris opnieuw beslist en de verblijfsvergunningen alsnog verleend. De vreemdelingen handhaafden hun hoger beroep alleen als de proceskosten in hoger beroep vergoed zouden worden. De staatssecretaris weigerde dit.
De Afdeling oordeelde dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is omdat het doel van de procedure, het verkrijgen van de verblijfsvergunning, is bereikt. De proceskostenvergoeding vormde geen voldoende belang om het hoger beroep inhoudelijk te behandelen. Ook werd geoordeeld dat de staatssecretaris niet tot vergoeding van proceskosten hoefde te worden veroordeeld, omdat hij niet is tegemoetgekomen aan de gronden van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard omdat de vreemdelingen inmiddels een verblijfsvergunning hebben gekregen.