ECLI:NL:RVS:2023:79
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- E. Helder
- J.M.L. Niederer
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak over huurtoeslag en fictief vermogen door BEM-clausule bij meerderjarige zoon
De Belastingdienst/Toeslagen stelde het recht van de belanghebbende op huurtoeslag over 2016 en 2017 definitief vast op nihil vanwege het vermogen van zijn zoon, die als medebewoner werd aangemerkt. De zoon beschikte over geld uit een erfenis met een BEM-clausule, waardoor hij pas op 23-jarige leeftijd over het vermogen kan beschikken. De rechtbank oordeelde dat dit vermogen fictief is en buiten beschouwing moet blijven, omdat het onevenredige gevolgen heeft voor de belanghebbende en niet voorzien is in de Uitvoeringsregeling.
De Belastingdienst ging in hoger beroep en betoogde dat de uitzondering in artikel 9 van Pro de Uitvoeringsregeling alleen voor minderjarige kinderen geldt en dat de wetgever een gesloten stelsel heeft beoogd. De Raad van State bevestigt dit standpunt en oordeelt dat de rechtbank ten onrechte een uitzondering heeft toegevoegd. Wel erkent de Afdeling dat de toepassing van het woord "minderjarig" in dit concrete geval strijdig is met het evenredigheidsbeginsel van de Awb.
De Afdeling concludeert dat het vermogen van de meerderjarige zoon op grond van de geldende wet- en regelgeving moet worden betrokken bij de huurtoeslagtoetsing. Het hoger beroep van de Belastingdienst wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De Afdeling wijst erop dat het aan de wetgever is om te bezien of in soortgelijke gevallen een regeling voor onbillijkheden van overwegende aard moet worden opgenomen.
Uitkomst: Het hoger beroep van de Belastingdienst wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.