ECLI:NL:RVS:2024:1256
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing urgentieverklaring wegens onvoldoende grond voor hardheidsclausule
Appellante, woonachtig in een vierkamerwoning op de tweede etage met drie minderjarige kinderen, vroeg om een urgentieverklaring vanwege haar longaandoening die haar verhindert de trappen op te lopen, wat haar zorg voor de kinderen beperkt. Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag wees deze aanvraag af en handhaafde dit besluit na bezwaar, stellende dat het probleem opgelost kan worden met behandeling van haar liftangst en dat zij binnen drie maanden een passende woning kan krijgen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarna zij hoger beroep instelde bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling overwoog dat de aangevoerde rechtsvragen over de Huisvestingsverordening en de Huisvestingswet reeds eerder zijn beantwoord en dat de beoordeling van het college omtrent de hardheidsclausule gemotiveerd en niet onjuist was.
Verder oordeelde de Afdeling dat de aangevoerde schending van artikel 8 EVRM Pro geen recht op woonruimte garandeert en dat het college een juist evenwicht heeft gevonden tussen het individuele belang van appellante en het algemeen belang van rechtvaardige woonruimteverdeling. De Afdeling verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de urgentieverklaring wordt bevestigd.