ECLI:NL:RVS:2024:133
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank en ongegrondverklaring beroep tegen invordering dwangsom overkapping
Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag legde op 2 mei 2019 een last onder dwangsom op aan appellant wegens het zonder omgevingsvergunning bouwen van een overkapping aan de achterzijde van haar woning. Ondanks een bouwstop en meerdere verzoeken tot aanpassing bleef de overtreding bestaan, waarna het college op 29 januari 2020 besloot de dwangsom van € 5.000,- te innen.
De rechtbank oordeelde op 10 oktober 2022 dat niet vaststond dat appellant de last niet had nageleefd en vernietigde het invorderingsbesluit. Het college stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak stelt vast dat appellant wel wist wat zij moest doen om aan de last te voldoen en dat het college terecht de dwangsom heeft geïnd.
Daarnaast wijst de Afdeling het beroep van appellant af dat zij op grond van het gelijkheidsbeginsel handhaving tegen andere overkappingen aanvoerde en dat de gemeente laakbaar zou hebben gehandeld. Het hoger beroep van het college wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van appellant ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep van het college wordt gegrond verklaard en het beroep van appellant ongegrond verklaard.