Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2024:150

Raad van State

Datum uitspraak
17 januari 2024
Publicatiedatum
17 januari 2024
Zaaknummer
202003123/2/R4
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn bestuursprocedure

Verzoeker heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verzocht om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM. De procedure betrof een bestuursrechtelijke zaak die startte met een bezwaarschrift op 3 januari 2019 en eindigde met een uitspraak van de Afdeling op 23 mei 2023, waardoor de totale duur meer dan vier jaar bedroeg.

De Afdeling heeft vastgesteld dat de redelijke termijn, die voor een procedure met bezwaar en twee rechterlijke instanties in beginsel vier jaar bedraagt, met ruim vier maanden is overschreden. De overschrijding wordt volledig toegerekend aan de Afdeling zelf, aangezien het hoger beroep langer dan twee jaar duurde.

Op basis van een forfaitair bedrag van €500 per half jaar overschrijding, afgerond naar boven, is de Staat veroordeeld tot betaling van €500 aan verzoeker als vergoeding voor immateriële schade. Daarnaast is de Staat veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €418,50, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

De Afdeling heeft het onderzoek gesloten zonder zitting, met instemming van partijen. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 17 januari 2024.

Uitkomst: De Staat wordt veroordeeld tot betaling van €500 schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

202003123/2/R4.
Datum uitspraak: 17 januari 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op een verzoek om schadevergoeding van:
[verzoeker], wonend te Lierop, gemeente Someren,
Verzoeker,
Procesverloop
Bij uitspraak van 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2077, heeft de Afdeling het onderzoek in de zaak heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak omtrent de gevorderde schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
De Afdeling heeft de Staat der Nederlanden (minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) (hierna: de Staat) aangemerkt als partij in deze procedure.
Met toestemming van partijen is afgezien van een behandeling van de zaak ter zitting.
De Afdeling heeft het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Inleiding
1.       [verzoeker] heeft de Afdeling in een nader stuk in zaak nr. 202003123/1/R4 verzocht om een schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM).
Beoordeling van het verzoek
2.       Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188, is de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van Pro het EVRM, overschreden, als de duur van de totale procedure te lang is. Voor zaken die uit een bezwaarschriftprocedure en twee rechterlijke instanties bestaan, is in beginsel een totale lengte van de procedure van ten hoogste vier jaar redelijk. Die termijn vangt aan op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan. Hierbij mag de behandeling van het bezwaar hoogstens een half jaar duren, de behandeling van het beroep hoogstens anderhalf jaar duren en de behandeling van het hoger beroep hoogstens twee jaar duren. Vergelijk de uitspraak van 15 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1704.
3.       De redelijke termijn is gestart vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift van [verzoeker] door het college op 3 januari 2019. Met de uitspraak van de Afdeling van 23 mei 2023 is de procedure geëindigd, zodat de procedure in totaal meer dan 4 jaar heeft geduurd. Geen aanleiding wordt gezien om voor de vaststelling van de redelijke termijn af te wijken van een termijn van vier jaar. Dit betekent dat de redelijke termijn met ruim 4 maanden is overschreden.
4.       De volgende vraag die moet worden beantwoord is aan wie deze overschrijding moet worden toegerekend.
Het college heeft binnen de redelijke behandelingsduur van zes maanden het besluit op bezwaar genomen.
De rechtbank heeft binnen anderhalf jaar na het instellen van beroep een uitspraak gedaan op het beroep van [verzoeker] tegen het besluit van 30 november 2018.
De Afdeling heeft na 3 jaar en bijna een maand uitspraak gedaan op het hoger beroep. Dat betekent dat de redelijke behandelingsduur van het hoger beroep met 1 jaar en bijna 1 maand is overschreden. Omdat de behandeling van het hoger beroep bij de Afdeling langer dan twee jaar heeft geduurd, is de overschrijding van de redelijke termijn geheel aan de Afdeling toe te rekenen.
5.       Zoals uit overweging 4 volgt is de redelijke termijn, over de gehele procedure bezien, met ruim 4 maanden overschreden. De Afdeling zal, uitgaande van een forfaitair bedrag van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, de Staat veroordelen tot betaling van een bedrag van € 500,00 aan [verzoeker], als vergoeding voor de door hem geleden immateriële schade.
Slot
6.       De Staat moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om aan A.P. [verzoeker] te betalen een vergoeding voor immateriële schade van € 500,00;
II.       veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot vergoeding van bij A.P. [verzoeker] in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 418,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. H.C.P. Venema, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.D. Kamphorst-Timmer, griffier.
w.g. Venema
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Kamphorst-Timmer
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 januari 2024
972-776