ECLI:NL:RVS:2024:150
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn bestuursprocedure
Verzoeker heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verzocht om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM. De procedure betrof een bestuursrechtelijke zaak die startte met een bezwaarschrift op 3 januari 2019 en eindigde met een uitspraak van de Afdeling op 23 mei 2023, waardoor de totale duur meer dan vier jaar bedroeg.
De Afdeling heeft vastgesteld dat de redelijke termijn, die voor een procedure met bezwaar en twee rechterlijke instanties in beginsel vier jaar bedraagt, met ruim vier maanden is overschreden. De overschrijding wordt volledig toegerekend aan de Afdeling zelf, aangezien het hoger beroep langer dan twee jaar duurde.
Op basis van een forfaitair bedrag van €500 per half jaar overschrijding, afgerond naar boven, is de Staat veroordeeld tot betaling van €500 aan verzoeker als vergoeding voor immateriële schade. Daarnaast is de Staat veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €418,50, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
De Afdeling heeft het onderzoek gesloten zonder zitting, met instemming van partijen. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 17 januari 2024.
Uitkomst: De Staat wordt veroordeeld tot betaling van €500 schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.