ECLI:NL:RVS:2024:1679
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing machtiging voorlopig verblijf na overschrijding redelijke termijn niet gegrond
Bij besluit van 13 augustus 2020 wees de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af. De vreemdeling maakte bezwaar, dat bij besluiten van 10 juni 2021 en 10 oktober 2022 ongegrond werd verklaard. De rechtbank bevestigde deze besluiten bij uitspraak van 12 december 2022.
De vreemdeling stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak en klaagde onder meer over de overschrijding van de redelijke termijn. De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat de rechtbank ten onrechte niet op dit betoog was ingegaan, maar dat de overschrijding gerechtvaardigd was vanwege het verzoek van de vreemdeling om uitstel voor het indienen van bezwaargronden, waardoor de procedure ruim zes maanden stillag.
De Afdeling concludeerde dat de totale duur van de bezwaar- en beroepsfase van ruim twee jaar en drie maanden, inclusief de stillegging, binnen de redelijke termijn viel. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De staatssecretaris werd niet verplicht proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.