ECLI:NL:RVS:2024:2214
Raad van State
- Hoger beroep
- C.M. Wissels
- C.C.W. Lange
- M. den Heyer
- Rechtspraak.nl
Verlies Nederlanderschap door langdurig verblijf in buitenland en afwijzing verklaring bezit Nederlanderschap
Appellanten, broers woonachtig in het Verenigd Koninkrijk sinds geboorte, vroegen een verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap aan. De minister wees deze aanvragen af omdat zij het Nederlanderschap van rechtswege verloren hadden op grond van artikel 15, aanhef en onder c, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (oud), vanwege tien jaar onafgebroken verblijf in het buitenland na meerderjarigheid.
De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat de ministeriële brieven geen besluiten in de zin van de Awb zouden zijn. Appellanten stelden dat de rechtbank ten onrechte de verklaringen niet als bedoeld in artikel 15, vierde lid, RWN beschouwde en dat de verliesregeling in strijd is met het Unierecht.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het verlies van het Nederlanderschap rechtsgeldig was volgens de toen geldende wetgeving en niet in strijd met het Unierecht, omdat het Verenigd Koninkrijk toen lid was van de EU en appellanten hun Britse nationaliteit behielden. De Afdeling vernietigde de uitspraken van de rechtbank wegens onjuiste niet-ontvankelijkheidsverklaring, verklaarde het hoger beroep gegrond, maar wees de beroepen inhoudelijk af. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard, de uitspraken van de rechtbank vernietigd, maar de beroepen inhoudelijk ongegrond verklaard.