ECLI:NL:RVS:2024:2365
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing machtiging voorlopig verblijf vreemdelingen na bezwaar en beroep
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 31 januari 2022 de aanvragen van zeven vreemdelingen om een machtiging tot voorlopig verblijf afgewezen. Hiertegen maakten de vreemdelingen bezwaar, dat bij besluit van 24 april 2023 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde de rechtbank Den Haag het beroep van de vreemdelingen ongegrond in een uitspraak van 18 september 2023.
De vreemdelingen stelden hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat de aangevoerde grieven niet leiden tot vernietiging van het vonnis van de rechtbank. De eerste grief bevatte geen vragen die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De tweede grief betrof de belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro, waarbij de staatssecretaris terecht oordeelde dat er geen familieleven bestond tussen vreemdelingen en referent, zodat geen belangenafweging hoefde plaats te vinden.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door een enkelvoudige kamer op 10 juni 2024.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdelingen wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.