ECLI:NL:RVS:2024:2439
Raad van State
- Hoger beroep
- M. den Heyer
- Rechtspraak.nl
Bevestiging rechtmatigheid bewaring vreemdeling ondanks gebrekkige grondslag ophouding
Bij besluit van 21 maart 2024 stelde de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de vreemdeling in bewaring. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze bewaring op 23 april 2024 ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.
De vreemdeling klaagde terecht dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de ophouding op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 was toegestaan, terwijl reeds voor aanvang van de ophouding onderzoek naar zijn identiteit was verricht. De juiste grondslag had artikel 50, derde lid, moeten zijn. Ondanks dit formele gebrek oordeelde de Raad van State dat dit niet leidde tot onrechtmatigheid omdat de belangen van de bewaring zwaarder wegen en de duur van de ophouding gelijk blijft.
De Raad van State bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Tevens veroordeelde de Afdeling de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling, omdat deze kosten zijn gemaakt voor beroepsmatige rechtsbijstand door een derde partij.
Uitkomst: De bewaring van de vreemdeling wordt bevestigd ondanks een formeel gebrek in de grondslag van de ophouding.