ECLI:NL:RVS:2024:2484

Raad van State

Datum uitspraak
19 juni 2024
Publicatiedatum
19 juni 2024
Zaaknummer
202401647/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 3 EVRMArt. 4 EU-HandvestArt. 17 lid 1 Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank inzake niet in behandeling nemen asielaanvraag vreemdeling

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid nam op 2 februari 2024 een besluit om de asielaanvraag van de vreemdeling niet in behandeling te nemen. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 8 maart 2024 het besluit vernietigde en de staatssecretaris opdroeg een nieuw besluit te nemen.

De staatssecretaris ging in hoger beroep tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwoog dat de rechtbank terecht aannam dat de vreemdeling een bipolaire stoornis heeft en in Turkije mishandeld en seksueel misbruikt is. Echter, de staatssecretaris toonde aan dat adequate psychische gezondheidszorg in Kroatië inmiddels weer beschikbaar is, waardoor geen reëel risico op schending van fundamentele rechten bestaat.

Verder oordeelde de Afdeling dat de staatssecretaris de verklaringen van de vreemdeling over haar ervaringen in Kroatië voldoende heeft betrokken bij zijn besluit en dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die overdracht aan Kroatië onevenredig hard maken.

De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep alsnog ongegrond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep alsnog ongegrond verklaard.

Uitspraak

202401647/1/V3.
Datum uitspraak: 19 juni 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 8 maart 2024 in zaak nr. NL24.3959 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 2 februari 2024 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 8 maart 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S. Coenen, advocaat te Utrecht, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1.       De staatssecretaris komt in zijn eerste grief op tegen het oordeel van de rechtbank dat hij voorafgaand aan de overdracht aanvullende individuele garanties moet vragen aan de Kroatische autoriteiten. Niet in geschil is dat de vreemdeling een bipolaire stoornis heeft en dat zij in Turkije is mishandeld en seksueel misbruikt, waarvoor zij onder behandeling staat. De vreemdeling heeft in haar beroepsgronden gewezen op het Asylum Information Database, ‘Country Report: Croatia. Update 2022’ (hierna: AIDA-rapport), waaruit volgt dat Médecins du Monde de werkzaamheden in Kroatië tijdelijk heeft gestaakt. Uit het AIDA-rapport volgt niet dat deze organisatie de werkzaamheden heeft hervat. Volgens de rechtbank heeft de vreemdeling met deze informatie aannemelijk gemaakt dat er in haar specifieke situatie bij overdracht aan Kroatië een reëel risico bestaat dat voor haar adequate psychische gezondheidszorg niet beschikbaar is. Op basis van de informatie die ten tijde van de beroepsprocedure beschikbaar was, heeft de rechtbank dit niet ten onrechte geoordeeld.
Niettemin treft het betoog doel. De staatssecretaris heeft in zijn grief namelijk terecht gewezen op de inbreng van AsyLex ten behoeve van het aanstaande rapport van het European Union Agency for Asylum, waaruit volgt dat Médecins du Monde de werkzaamheden tot het einde van augustus 2023 heeft gestaakt en daarna weer heeft hervat. De Afdeling overweegt dat uit deze brief moet worden afgeleid dat voor de vreemdeling, die door de rechtbank onbetwist als bijzonder kwetsbaar is aangemerkt, adequate psychische gezondheidszorg op dit moment wel weer beschikbaar is in Kroatië. De staatssecretaris heeft gesteld dat hij de Kroatische autoriteiten bij overdracht zal informeren over de bijzondere behoeften van de vreemdeling en de overdracht zal opschorten als de Kroatische autoriteiten melden dat zij aan die behoeften niet kunnen voldoen. Daarom bestaat geen grond voor het oordeel dat de vreemdeling zonder aanvullende garanties van de Kroatische autoriteiten een reëel risico loopt op schending van artikel 4 van Pro het EU Handvest en artikel 3 van Pro het EVRM.
De grief slaagt.
2.       De staatssecretaris komt in zijn tweede grief terecht op tegen het oordeel van de rechtbank dat hij ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij in de verklaringen van de vreemdeling over haar ervaringen en de gestelde behandeling op het politiebureau in Kroatië geen aanleiding ziet om de asielaanvraag in behandeling te nemen op grond van zijn discretionaire bevoegdheid uit artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Deze omstandigheden heeft de staatssecretaris namelijk al voldoende betrokken in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling wijst op haar uitspraak van 30 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1778. Verder heeft de vreemdeling haar verklaringen over wat haar eerder in Kroatië zou zijn overkomen niet onderbouwd. Uit de uitspraak van de Afdeling van 13 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3411, volgt dat er in het algemeen geen aanleiding is om te veronderstellen dat de vreemdeling bij overdracht aan Kroatië een reëel risico loopt op een met artikel 4 van Pro het EU Handvest en artikel 3 van Pro het EVRM strijdige behandeling. Ook voor het overige is niet gebleken dat sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die maken dat overdracht aan Kroatië van onevenredige hardheid getuigt.
De grief slaagt.
3.       Het hoger beroep is gegrond. Het is niet nodig om wat de staatssecretaris verder heeft aangevoerd te bespreken. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken, is het beroep alsnog ongegrond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 8 maart 2024 in zaak nr. NL24.3959;
III.      verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. B. Meijer en mr. M. Soffers, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier.
w.g. Van Breda
voorzitter
w.g. Weber
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2024
846-1017