ECLI:NL:RVS:2024:2635
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit beëindiging verstrekkingen aan vreemdeling en afwijzing schadevergoeding
De vreemdeling kreeg op 1 juni 2022 te horen dat het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa) de verstrekkingen aan hem zou beëindigen. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen dit besluit ongegrond. De vreemdeling ging hiertegen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling constateerde dat het COa het besluit van 1 juni 2022 inmiddels had ingetrokken omdat de vreemdeling opvang zou blijven ontvangen op grond van artikel 3, derde lid, aanhef en onder f, van de Regeling verstrekkingen asielzoekers 2005, in verband met een besluit van de staatssecretaris dat zijn uitzetting tot 8 november 2024 achterwege blijft. De Afdeling oordeelde dat het oorspronkelijke besluit onrechtmatig was en dat de rechtbank ten onrechte het beroep ongegrond had verklaard.
De vreemdeling had een verzoek om immateriële schadevergoeding ingediend wegens de onzekerheid en dreiging van het verlies van opvang. De Afdeling stelde vast dat hoewel de besluitvorming hem mogelijk heeft aangegrepen, onvoldoende concrete gegevens waren aangeleverd om geestelijk letsel aan te tonen dat recht geeft op vergoeding.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep en beroep gegrond, vernietigde het besluit van 1 juni 2022 en de uitspraak van de rechtbank, wees het verzoek om schadevergoeding af, en veroordeelde het COa tot vergoeding van de proceskosten van €3.062,50.
Uitkomst: Het besluit van 1 juni 2022 wordt vernietigd, het verzoek om schadevergoeding afgewezen en het COa veroordeeld tot proceskostenvergoeding.