ECLI:NL:RVS:2024:2681
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdheid Raad van State tot kennisneming hoger beroep tegen niet-ontvankelijkheidsuitspraak bezwaar dwangsom
Bij besluit van 7 juni 2021 legde het college van burgemeester en wethouders van Utrecht aan appellant A twee lasten onder dwangsom op. Appellant A maakte bezwaar, maar het college verklaarde dit bezwaar niet-ontvankelijk omdat de gronden niet tijdig waren ingediend. Appellanten stelden beroep in tegen dit besluit, maar de rechtbank verklaarde het beroep van appellant A ongegrond en dat van appellant B niet-ontvankelijk.
Appellanten deden verzet tegen deze uitspraak, maar de rechtbank verklaarde het verzet ongegrond. Appellanten voerden aan dat zij niet zijn gehoord in de verzetprocedure, terwijl zij daarom hadden gevraagd, en dat de rechtbank niet alle gronden had besproken. Zij stelden dat dit leidde tot een oneerlijk proces.
De Raad van State overweegt dat hoger beroep tegen een uitspraak als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, Awb, niet mogelijk is, tenzij sprake is van schending van fundamentele rechtsbeginselen. De Raad oordeelt dat deze drempel niet is overschreden, mede omdat appellanten niet expliciet om een zitting in de verzetprocedure hadden verzocht. Daarom verklaart de Raad zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep en bepaalt dat het betaalde griffierecht wordt terugbetaald.
Uitkomst: De Raad van State verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep en bepaalt terugbetaling van het griffierecht.