ECLI:NL:RVS:2024:2711
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- N. Verheij
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- Rechtspraak.nl
Bevestiging bewaring vreemdeling wegens misbruik van recht bij aanvraag EU-toetsing
De vreemdeling, met de Marokkaanse nationaliteit, werd op 17 februari 2024 in bewaring gesteld. Tijdens de procedure diende hij op 7 maart 2024 een aanvraag om toetsing aan het EU-recht in, gevolgd door een reguliere verblijfsvergunningaanvraag. De staatssecretaris stelde de bewaring meerdere keren opnieuw vast en beëindigde deze telkens, waarbij op 5 april 2024 de laatste bewaring werd opgelegd.
De rechtbank oordeelde op 22 april 2024 dat de bewaring rechtmatig was omdat de vreemdeling misbruik van recht maakte met zijn aanvraag om toetsing aan het EU-recht. De vreemdeling had geen concrete aanknopingspunten voor een Unierechtelijk verblijfsrecht en had de aanvraag onvoldoende onderbouwd, waardoor het doel van de regeling niet werd bereikt.
De vreemdeling stelde hoger beroep in, maar de Raad van State bevestigde het oordeel van de rechtbank. De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat het verbod op misbruik van recht als algemeen beginsel van het Unierecht geldt en dat de staatssecretaris voldoende had gemotiveerd dat sprake was van misbruik. De aanvraag leverde daarom geen procedureel rechtmatig verblijf op, en de bewaring was op juiste wettelijke grondslag gebaseerd.
De Afdeling wees ook het verzoek om proceskostenvergoeding af en zag geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De bewaring van de vreemdeling op 5 april 2024 is rechtmatig verklaard wegens misbruik van recht bij de aanvraag om toetsing aan het EU-recht.