ECLI:NL:RVS:2024:2718
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak terugvordering gezinsbijslag en aanvullende schadevergoeding wegens termijnoverschrijding
De zaak betreft een geschil over de terugvordering van een te hoog ontvangen bedrag aan gezinsbijslag over 2017 door de Sociale Verzekeringsbank (SVB). De SVB had aanvankelijk een bedrag van € 391,08 teruggevorderd, maar heeft dit later verlaagd naar € 204,12. Appellant betwistte dit lagere bedrag en stelde tevens dat hij schade had geleden door onrechtmatige besluiten en overschrijding van de redelijke termijn.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit van 13 juni 2019 niet-ontvankelijk en wees het beroep tegen het besluit van 23 december 2020 ongegrond. Tevens kende de rechtbank een schadevergoeding van € 1.000 toe wegens termijnoverschrijding. Appellant stelde hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep, die zich onbevoegd verklaarde en de zaak doorzond naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelt dat appellant geen belang meer heeft bij inhoudelijke behandeling van het beroep tegen het besluit van 13 juni 2019, dat het beroep tegen het besluit van 23 december 2020 van rechtswege is ontstaan en ongegrond is. Het verzoek om schadevergoeding wegens onrechtmatige besluiten wordt afgewezen wegens gebrek aan bewijs van schade. De Afdeling bevestigt de toekenning van € 1.000 schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn door de SVB, maar kent een aanvullende vergoeding van € 500 toe vanwege de totale duur van de procedure van ruim vijf jaar.
Tot slot wijst de Afdeling het verzoek om proceskostenvergoeding af en bevestigt de eerdere uitspraak. De Staat wordt veroordeeld tot betaling van een aanvullende schadevergoeding van € 500 wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Uitkomst: Hoger beroep ongegrond, eerdere uitspraak bevestigd en aanvullende schadevergoeding van € 500 toegekend wegens termijnoverschrijding.