ECLI:NL:RVS:2024:2749
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Raad van State bevestigt belang privé- en familieleven bij uitvaardiging inreisverbod
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid had het verzoek van een vreemdeling om opheffing van een inreisverbod afgewezen, maar de duur ervan wel verkort. De rechtbank vernietigde dit besluit en bepaalde dat de minister een nieuw besluit moest nemen met inachtneming van de uitspraak, waarbij het privé- en familieleven van de vreemdeling in België betrokken moest worden.
De minister stelde hoger beroep in tegen het oordeel dat het privé- en familieleven in een andere lidstaat moet worden meegewogen bij het opleggen van een nieuw inreisverbod. De Raad van State bevestigde echter dat een inreisverbod unierechtelijke werking heeft en dat de duur ervan moet worden bepaald aan de hand van alle relevante omstandigheden, waaronder het privé- en familieleven in andere EU-lidstaten.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de minister werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling. Hiermee onderstreept de Afdeling bestuursrechtspraak het belang van een zorgvuldige belangenafweging bij het opleggen van inreisverboden, met inachtneming van het Unierecht en het individuele geval.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt ongegrond verklaard en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.