ECLI:NL:RVS:2024:3004

Raad van State

Datum uitspraak
24 juli 2024
Publicatiedatum
24 juli 2024
Zaaknummer
202300496/1/R3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.F. de Groot
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.6 Invoeringswet OmgevingswetArt. 8:69a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid en ongegrondheid beroep tegen bestemmingsplan windturbine in gemeente Wierden

De raad van de gemeente Wierden stelde op 6 december 2022 het bestemmingsplan "Buitengebied 2009, herziening locatie A" vast, waardoor het mogelijk werd een windturbine met een tiphoogte van 38 meter te plaatsen op het perceel van belanghebbende te Hoge Hexel.

Appellanten A en B, beiden wonend te Hoge Hexel, maakten bezwaar tegen dit bestemmingsplan en stelden afzonderlijk beroep in. Appellant A bracht geen zienswijze naar voren tijdens de ontwerpplanfase en woont op 610 meter afstand van de turbine, wat buiten de door jurisprudentie gehanteerde afstand van 10 maal de tiphoogte (380 meter) ligt. Daarom werd zijn beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang.

Appellant B woonde op 810 meter afstand, bracht wel een zienswijze in, waardoor zijn beroep ontvankelijk was. Echter richtten zijn beroepsgronden zich niet op het recht op inspraak maar op ruimtelijke ordening en natuurbescherming, wat volgens het relativiteitsvereiste niet tot vernietiging van het besluit kan leiden. Daarom werd zijn beroep ongegrond verklaard.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State wees de beroepen af en bepaalde dat de raad van Wierden geen proceskosten hoeft te vergoeden.

Uitkomst: Het beroep van appellant A is niet-ontvankelijk en het beroep van appellant B ongegrond verklaard.

Uitspraak

202300496/1/R3.
Datum uitspraak: 24 juli 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant A], wonend te Hoge Hexel, gemeente Wierden,
[appellant B], wonend te Hoge Hexel, gemeente Wierden,
appellanten,
en
de raad van de gemeente Wierden,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 6 december 2022 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied 2009, herziening [locatie A]" vastgesteld.
Tegen dit besluit hebben [appellant A] en [appellant B] beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 15 mei 2024.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 3 augustus 2022 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2.       [belanghebbende] is eigenaar van het perceel aan de [locatie A] te Hoge Hexel. Hij wil daar een windturbine plaatsen. Het vorige bestemmingsplan "Buitengebied 2009" stond het realiseren van een windturbine op het perceel van [belanghebbende] niet toe. Daarom heeft [belanghebbende] de raad verzocht het bestemmingsplan te wijzigen. Het nu voorliggend plan maakt het mogelijk een windturbine met een tiphoogte van 38 m op het perceel van [belanghebbende] te realiseren.
3.       [appellant A] en [appellant B] kunnen zich niet verenigen met het mogelijk maken van de windturbine en hebben daarom afzonderlijk van elkaar beroep ingesteld tegen het bestemmingsplan.
4.       Bij uitspraak van 20 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1555, heeft de voorzieningenrechter de verzoeken van [appellant A] en [appellant B] om een voorlopige voorziening te treffen, afgewezen. In deze uitspraak zal enkele keren naar de uitspraak van de voorzieningenrechter worden verwezen.
Het beroep van [appellant A]
5.       Niet in geschil is dat [appellant A] geen zienswijze over het ontwerpplan naar voren heeft gebracht. Zoals de voorzieningenrechter in de uitspraak van 20 april 2023 onder 5.1 en 5.2 heeft overwogen, betekent dat dat het beroep van [appellant A] alleen ontvankelijk is als hij belanghebbende is bij het bestemmingsplan. Dat is het geval als [appellant A] gevolgen van enige betekenis ervaart van de windturbine. Volgens rechtspraak van de Afdeling, zie overweging 7 van de uitspraak van de Afdeling van 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:616, worden gevolgen van enige betekenis bij een windpark alleen aanwezig geacht binnen een afstand van 10 maal de tiphoogte gemeten vanaf de voet van de dichtstbijzijnde windturbine. Dat, zoals is aangevoerd, het hier gaat om een solitaire turbine en niet om een windpark, maakt niet dat het in de rechtspraak gegeven richtsnoer niet moet worden toegepast. Ook overigens zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd die aanknopingspunten geven voor een andersluidend oordeel. De tiphoogte is 38 m, dus het moet gaan om een afstand van 380 m. Vaststaat dat [appellant A] op een afstand van 610 m tot de voet van de turbine woont. Dat betekent dat [appellant A] geen belanghebbende is en dat het beroep van [appellant A] niet-ontvankelijk is. Aan een inhoudelijke bespreking van de beroepsgronden wordt niet toegekomen.
Het beroep van [appellant B]
6.       Net als [appellant A], is [appellant B] geen belanghebbende, omdat ook [appellant B] niet binnen een afstand van 10 maal de tiphoogte woont. Vast staat dat [appellant B] op een afstand van 810 m tot de voet van de turbine woont. Zoals onder 5 is overwogen, worden buiten de afstand van 10 maal de tiphoogte geen gevolgen van enige betekenis aanwezig geacht. Anders dan [appellant A], heeft [appellant B] wel een zienswijze over het ontwerpplan naar voren gebracht. Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:953, is het beroep van [appellant B] daardoor wel ontvankelijk. Als niet-belanghebbende kan volgens rechtspraak van de Afdeling, zie bijvoorbeeld overweging 7.7 van de uitspraak van de Afdeling van 15 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:606, in beroep alleen worden opgekomen voor belangen die zien op het behartigen van het recht op inspraak. De beroepsgronden van [appellant B] zien echter niet op het recht op inspraak, maar op de belangen van een goede ruimtelijke ordening en natuurbeschermingsbelangen. Deze strekken daarom niet tot bescherming van het belang waarvoor [appellant B] in deze procedure op kan komen. Gelet op het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht kan het vaststellingsbesluit niet wegens deze belangen vernietigd worden. Dat betekent dat niet wordt toegekomen aan een inhoudelijke bespreking van de beroepsgronden van [appellant B] en dat het beroep van [appellant B] ongegrond is.
Conclusie
7.       Het beroep van [appellant A] is niet-ontvankelijk. Het beroep van [appellant B] is ongegrond.
8.       De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het beroep van [appellant A] niet-ontvankelijk;
II.       verklaart het beroep van [appellant B] ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.F. de Groot, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.S. Perlot, griffier.
w.g. De Groot
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Perlot
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2024
952