ECLI:NL:RVS:2024:3012
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing urgentieverklaring wegens onvoldoende grond voor toekenning
De appellant heeft op 7 februari 2022 een urgentieverklaring aangevraagd vanwege ruimtegebrek in zijn woning, waarin hij woont met zijn echtgenote en vier minderjarige kinderen. Hij stelde dat de woning te klein is, met negatieve gevolgen voor het welzijn van het gezin, waaronder lichamelijke en psychische klachten en medische problemen van zijn zoon.
De Stichting Urgentiebepaling Woningzoekenden Rijnmond (SUWR) wees de aanvraag af op grond van de Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2020. Volgens de SUWR valt ruimtegebrek niet onder de urgentiegronden en is de woning niet onbewoonbaar. Ook de medische situatie van de zoon rechtvaardigt geen urgentieverklaring. Het beroep op internationale verdragen bood geen grond voor afwijking.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de appellant stelde hoger beroep in. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat de appellant niet voldoet aan de criteria voor urgentie, bevestigt het oordeel van de rechtbank en wijst erop dat de belangenafweging rechtvaardig is. De Afdeling erkent de moeilijke woonsituatie, maar stelt dat deze niet uitzonderlijk is en dat de belangen van een rechtvaardige woonruimteverdeling zwaarder wegen.
Ten slotte overweegt de Afdeling dat een recente wijziging in de medische situatie van appellant niet in deze procedure kan worden meegenomen, maar dat een nieuwe aanvraag met medische onderbouwing mogelijk is. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen de afwijzing van de urgentieverklaring wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.