ECLI:NL:RVS:2024:4296
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- A. Kuijer
- J.J.W.P. van Gastel
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning langdurig verblijvende minderjarige wegens onttrekking toezicht vreemdelingenketen
De vreemdeling, die sinds 2011 in Nederland verblijft en meerdere aanvragen voor verblijfsvergunningen heeft ingediend, verzocht in 2019 om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van de Afsluitingsregeling Langdurig Verblijvende Kinderen. Deze regeling biedt begunstigend beleid voor langdurig verblijvende kinderen die niet te lang aan het toezicht van de vreemdelingenketen zijn onttrokken.
De staatssecretaris wees de aanvraag af omdat de vreemdeling zich gedurende twee periodes langer dan drie maanden onttrokken had aan het toezicht van de vreemdelingenketen, wat een contra-indicatie vormt. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en bepaalde dat de staatssecretaris een nieuw besluit moest nemen. Het nieuwe besluit handhaafde de afwijzing.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat de vreemdeling door eigen toedoen uit beeld is geraakt, doordat hij de opvang van het COA verliet zonder adres achter te laten. De Afdeling wijst het beroep op het evenredigheidsbeginsel af, aangezien de minister de belangen van de vreemdeling heeft meegewogen en geen bijzondere omstandigheden zijn aangetoond die afwijking rechtvaardigen. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt omdat de aangehaalde vergelijkbare zaken verschillen van de situatie van de vreemdeling.
De Afdeling verklaart het hoger beroep en het beroep tegen het besluit van 30 juni 2023 ongegrond en het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk. De minister wordt veroordeeld tot een beperkte proceskostenvergoeding voor het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar.
Uitkomst: Het hoger beroep en het beroep tegen het besluit van de minister worden ongegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunning bevestigd.