ECLI:NL:RVS:2024:3264
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens ontbreken familieleven
De vreemdeling, een Syrische vrouw geboren in 1972, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf als familielid van haar zoon, die sinds 2016 een verblijfsvergunning asiel heeft. De staatssecretaris wees de aanvraag af wegens het ontbreken van een familieleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de vreemdeling ging in hoger beroep bij de Raad van State.
De Raad van State overwoog dat de minister zich deugdelijk heeft gemotiveerd en alle relevante individuele omstandigheden heeft betrokken. Er is vastgesteld dat er geen bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn, waardoor geen belangenafweging nodig was. De grieven van de vreemdeling leiden niet tot vernietiging van het vonnis, mede omdat zij geen vragen bevatten die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf bevestigd.