ECLI:NL:RVS:2024:3285
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing naturalisatieverzoek wegens verblijfsgat en onvoldoende onafgebroken toelating
Appellant, houder van de Marokkaanse nationaliteit en sinds 2007 verblijvend in Nederland, diende op 12 juli 2021 een verzoek in tot naturalisatie. De staatssecretaris wees dit verzoek op 20 mei 2022 af omdat appellant niet voldeed aan het vereiste van onafgebroken vijf jaar toelating in het Koninkrijk, zoals bepaald in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). Dit gevolgde uit het feit dat de verblijfsvergunning van appellant op 31 oktober 2021 was verlopen en de nieuwe vergunning pas op 20 januari 2022 inging, waardoor een verblijfsgat ontstond.
De rechtbank bevestigde deze afwijzing en verwierp de beroepen van appellant op artikel 4:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), het evenredigheidsbeginsel en de hardheidsclausule van artikel 10 van Pro de RWN. Appellant stelde in hoger beroep dat de afwijzing onevenredig was en dat zij feitelijk met instemming van het bevoegd gezag in Nederland verbleef gedurende het verblijfsgat, maar de Afdeling oordeelde dat geen sprake was van actieve instemming omdat geen verblijfsdocument of ander bewijs was overgelegd.
De Afdeling benadrukte dat artikel 8 RWN Pro een gebonden bevoegdheid inhoudt, waardoor geen ruimte bestaat om af te wijken van het vereiste van onafgebroken toelating. Ook werd bevestigd dat het evenredigheidsbeginsel en de hardheidsclausule niet van toepassing zijn zonder bijzondere omstandigheden, die appellant niet had aangevoerd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het naturalisatieverzoek bevestigd wegens het verblijfsgat.