ECLI:NL:RVS:2024:3341

Raad van State

Datum uitspraak
21 augustus 2024
Publicatiedatum
19 augustus 2024
Zaaknummer
202307635/1/V2
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.Th. Drop
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArtikel 91 Vw 2000
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging rechtbankuitspraak inzake afwijzing verblijfsvergunning asiel

Bij besluit van 7 augustus 2023 wees de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aanvraag van een vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 21 november 2023 het besluit vernietigde en de staatssecretaris opdroeg een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak.

De minister van Asiel en Migratie stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De minister voerde onder meer aan dat de afwijzing terecht was omdat de vreemdeling zonder geldige reden niet was verschenen bij het nader gehoor. Dit argument werd echter verworpen omdat dezelfde rechtsvraag reeds eerder door de Afdeling was beantwoord in een vergelijkbare zaak.

De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde het vonnis van de rechtbank. De minister moet een nieuw besluit nemen waarbij wordt onderzocht of de aanvraag buiten behandeling kan worden gesteld of inhoudelijk moet worden behandeld. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 875,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

202307635/1/V2.
Datum uitspraak: 21 augustus 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 21 november 2023 in zaak nr. NL23.22589 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 7 augustus 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 21 november 2023 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. F. Boone, advocaat in Rotterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1.       Wat de minister in de eerste grief betoogt, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dat oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat de eerste grief geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
1.1.    De eerste grief gaat namelijk over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraak van 26 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2604, over de werkwijze van de minister waarbij asielaanvragen van vreemdelingen worden afgewezen als kennelijk ongegrond als die vreemdelingen zonder geldige reden niet zijn verschenen bij het nader gehoor, terwijl zij daar wel voor zijn uitgenodigd). Het hoger beroep biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen.
2.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Het is niet nodig wat de minister verder heeft aangevoerd te bespreken. De minister moet een nieuw besluit op de asielaanvraag nemen en daarbij onderzoeken of de aanvraag buiten behandeling kan worden gesteld of inhoudelijk moet worden behandeld. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.       veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 875,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.L. Iedema, griffier.
w.g. Drop
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Iedema
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2024
915-1048