ECLI:NL:RVS:2024:3491
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering omgevingsvergunning na bezwaar en beroep
Appellant heeft op 26 januari 2021 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het bouwen van een carport, veranda en fietsenstalling en het verplaatsen van de toegangspoort en erfafscheiding op een perceel in Hilversum. Het college van burgemeester en wethouders heeft bij brief van 2 juni 2021 medegedeeld dat de vergunning van rechtswege is verleend. Later, bij besluit op bezwaar van 4 oktober 2022, heeft het college het eerdere besluit herroepen en de vergunning alsnog geweigerd.
De rechtbank heeft deze weigering bevestigd in een mondelinge uitspraak van 24 maart 2023. Appellant stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. In het hoger beroep betoogde appellant dat het bezwaar van een belanghebbende onverschoonbaar te laat was ingediend en daarom niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard, waardoor het college niet had mogen overgaan tot heroverweging van de vergunning.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overweegt dat deze beroepsgrond niet voor het eerst in hoger beroep kan worden aangevoerd, tenzij uitgesloten is dat andere belanghebbenden daardoor worden benadeeld. Dit is hier niet het geval. Bovendien beoordeelt de bestuursrechter de tijdigheid van het bezwaar niet ambtshalve. Daarom wordt deze beroepsgrond niet inhoudelijk behandeld. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de omgevingsvergunning bevestigd.