ECLI:NL:RVS:2021:1730
Raad van State
- Hoger beroep
- J. Hoekstra
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkheid bezwaar huurtoeslag wegens toeslagpartnerschap
De appellant heeft huurtoeslag aangevraagd voor een woning en kreeg voorschotten voor 2017 en 2018 toegekend. De Belastingdienst/Toeslagen herzag deze voorschotten en stelde ze lager vast, omdat appellant en een persoon als toeslagpartners werden aangemerkt. Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten, dat door de Belastingdienst werd afgewezen wegens termijnoverschrijding.
De rechtbank verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk vanwege te late indiening, maar het hoger beroep richt zich op de vraag of de rechtbank terecht buiten de omvang van het geding trad door de tijdigheid van het bezwaar ambtshalve te beoordelen. De Afdeling bestuursrechtspraak volgt de lijn van de Centrale Raad van Beroep dat de bestuursrechter de tijdigheid van bezwaar niet ambtshalve moet beoordelen.
De Afdeling stelt vast dat appellant en de persoon in kwestie op hetzelfde adres stonden ingeschreven en in het voorgaande jaar toeslagpartners waren. Dit betekent dat zij volgens de Awir toeslagpartners zijn gebleven tot het moment van uitschrijving op verschillende adressen. Omdat de persoon eigenaar was van de woning, had appellant geen recht op huurtoeslag over de betreffende periode.
De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep ongegrond. De Belastingdienst hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.