ECLI:NL:RVS:2024:3670
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-in-behandeling-neming paspoortaanvragen minderjarige kinderen zonder Nederlanderschap
In deze zaak gaat het om het hoger beroep van twee minderjarige appellanten die de Nederlandse nationaliteit niet verkregen omdat hun ouders ten tijde van hun geboorte niet Nederlander waren. De minister van Buitenlandse Zaken had hun aanvragen voor een Nederlands paspoort niet in behandeling genomen en dit besluit werd door de rechtbank bevestigd.
De appellanten stelden dat hun vader onvrijwillig afstand had gedaan van het Nederlanderschap en dat het verlies van het Nederlanderschap onrechtmatig was, mede vanwege het vertrouwensbeginsel en het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog echter dat het verlies van het Nederlanderschap van de vader niet ter beoordeling stond en dat de appellanten ten tijde van hun geboorte geen Nederlander waren. Het vertrouwensbeginsel was niet van toepassing omdat het verkrijgen van het Nederlanderschap een rechtsgevolg is dat rechtstreeks uit de wet volgt zonder beoordelingsruimte.
Ook het beroep op het EVRM, artikel 8, werd verworpen omdat dit artikel geen recht op verkrijging van een bepaalde nationaliteit verschaft. De Afdeling bevestigde daarom het besluit van de minister en de uitspraak van de rechtbank, en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van de minister wordt bevestigd.