ECLI:NL:RVS:2022:1466
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling krijgt rechtmatig verblijf als moeder van minderjarig Nederlands kind
De vreemdeling, met de Colombiaanse nationaliteit, is moeder van een minderjarig kind met de Nederlandse nationaliteit. Na haar scheiding van de Nederlandse vader bleef zij nauw betrokken bij de zorg en opvoeding van het kind, dat in Nederland woont.
De staatssecretaris wees haar aanvraag voor een verblijfsdocument af, omdat niet was vastgesteld dat zij meer dan marginale zorg- en opvoedtaken verrichtte. De rechtbank bevestigde dit oordeel, maar liet daarbij belangrijke overgelegde stukken buiten beschouwing.
De Raad van State oordeelt dat de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat zij daadwerkelijke en substantiële zorg voor het kind verricht en dat er een afhankelijkheidsverhouding bestaat. De staatssecretaris moet nader onderzoek doen naar de gevolgen van weigering van het document voor het kind.
Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank en het besluit van de staatssecretaris worden vernietigd. De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van het verblijfsdocument wordt vernietigd.