ECLI:NL:RVS:2024:3701

Raad van State

Datum uitspraak
16 september 2024
Publicatiedatum
13 september 2024
Zaaknummer
202303185/1/V1
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N. Verheij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:20 AwbArt. 6:24 AwbAfdeling 4 hoofdstuk 7 Vw 2000
Verwijzingen
7 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen niet tijdig besluit asielaanvraag en verwijzing naar rechtbank

De vreemdeling stelde beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De rechtbank verklaarde dit beroep niet-ontvankelijk. Vervolgens stelde de vreemdeling hoger beroep in tegen deze uitspraak.

Tijdens de behandeling van het hoger beroep nam de minister van Asiel en Migratie alsnog een besluit op 15 maart 2024, waarbij de asielaanvraag werd ingewilligd. Hierdoor verloor het hoger beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit zijn belang en werd het niet-ontvankelijk verklaard.

De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat de minister de beslistermijn mogelijk rechtmatig met negen maanden had verlengd, maar dat ook dan de termijn van vijftien maanden was overschreden. Daarom werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.

Het beroep tegen het besluit van 15 maart 2024 werd van rechtswege aanhangig en door de Afdeling verwezen naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, die is ingericht voor de toetsing van asielbesluiten. Hiermee wordt ook de rechtsgang gewaarborgd waarbij hoger beroep tegen het oordeel van de rechtbank openstaat.

Uitkomst: Het hoger beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 15 maart 2024 is verwezen naar de rechtbank.

Uitspraak

202303185/1/V1.
Datum uitspraak: 16 september 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 19 mei 2023 in zaak nr. NL23.6571 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
De vreemdeling heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
Bij uitspraak van 19 mei 2023 heeft de rechtbank dat beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.A. Krikke, advocaat in Bussum, hoger beroep ingesteld.
Bij besluit van 15 maart 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aanvraag van de vreemdeling ingewilligd.
De vreemdeling heeft op verzoek van de Afdeling een nader stuk ingediend.
Overwegingen
Hoger beroep
1.       Toen de rechtbank uitspraak deed op het beroep van de vreemdeling tegen het niet tijdig nemen van een besluit, had de minister nog geen besluit genomen op zijn aanvraag. Dat heeft de minister bij besluit van 15 maart 2024 wel gedaan. Wat de vreemdeling aanvoert, schept geen belang voor het beoordelen van zijn hoger beroep.
2.       Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. Op de door de Afdeling in de uitspraak van 8 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4125, gestelde prejudiciële vragen heeft het Hof van Justitie nog geen antwoord gegeven. De Afdeling is, gelet op wat zij in de hiervoor genoemde uitspraak onder 22 tot en met 25 heeft overwogen, van oordeel dat er rekening mee moet worden gehouden dat de minister met WBV 2022/22 de beslistermijn rechtmatig met negen maanden heeft verlengd. De minister heeft na meer dan vijftien maanden na indiening van de aanvraag een besluit genomen. Dit betekent dat de minister, ongeacht de rechtmatigheid van de verlenging van de beslistermijn, ook de beslistermijn van vijftien maanden heeft overschreden. De Afdeling ziet daarom aanleiding de minister in de proceskosten te veroordelen.
3.       De minister moet de in verband met het hoger beroep gemaakte proceskosten vergoeden (een punt voor het hogerberoepschrift). Het hoger beroep gaat uitsluitend over het door de minister niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag. De Afdeling past daarom wegingsfactor 0,5 toe.
Het besluit van 15 maart 2024
4.       Het besluit van 15 maart 2024 wordt, gelet op artikel 6:20, derde lid, in samenhang gelezen met artikel 6:24 van Pro de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding. De minister heeft in dat besluit de asielaanvraag van de vreemdeling ingewilligd. De vreemdeling heeft bij brief van 21 maart 2024 laten weten het niet eens te zijn met dat besluit. Hij heeft ook beroepsgronden gericht tegen dat besluit.
5.       De Afdeling ziet in dit geval aanleiding om het van rechtswege ontstane beroep tegen het besluit van 15 maart 2024, krachtens artikel 6:20, vierde lid, van de Awb, te verwijzen naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht. De Afdeling acht het passend dat de rechtbank het beroep tegen dat besluit toetst en dat tegen dat oordeel hoger beroep openstaat. De rechtbank is er namelijk op ingericht om in eerste aanleg asielbesluiten te toetsen en zitting te houden in dit soort zaken. Hiermee wordt ook recht gedaan aan de in afdeling 4 van hoofdstuk 7 van de Vw 2000 neergelegde functie van de hogerberoepsrechter.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II.       verwijst het beroep tegen het besluit van 15 maart 2024, V-[nummer], naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht;
III.      veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van de bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, griffier.
w.g. Verheij
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Hanrath
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 16 september 2024
392