ECLI:NL:RVS:2024:3894
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank en ongegrondverklaring beroep in zaak machtiging voorlopig verblijf grootmoeder
De vreemdeling, een 66-jarige vrouw uit Jemen, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf als familie- of gezinslid bij haar schoonzoon, dochter en drie kleinkinderen in Nederland. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees dit verzoek op 2 april 2020 af, met als reden dat er geen beschermingswaardig familie- of gezinsleven bestond volgens artikel 8 EVRM Pro, mede omdat er geen bijkomende afhankelijkheidselementen waren tussen de vreemdeling en haar familieleden.
De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, stellende dat de minister de belangenafweging onvoldoende had gemotiveerd, vooral met betrekking tot de rol van de vreemdeling in het leven van haar kleinkinderen. De minister ging hiertegen in hoger beroep.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de minister wel degelijk rekening had gehouden met de feitelijke invulling van het gezinsleven, maar deze niet doorslaggevend achtte. De relatie tussen grootouder en kleinkind biedt minder bescherming dan die tussen ouder en kind, en de minister had terecht meegewogen dat de vreemdeling waarschijnlijk een beroep op de algemene middelen zou doen en dat haar binding met Jemen sterker was dan met Nederland.
De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Tevens werd het besluit van 5 oktober 2022, waarin het bezwaar van de vreemdeling opnieuw ongegrond werd verklaard, vernietigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf blijft in stand.