ECLI:NL:RVS:2025:3170
Raad van State
- Hoger beroep
- J.H. van Breda
- M. Soffers
- M. den Heyer
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing machtiging voorlopig verblijf op grond van artikel 8 EVRM
Betrokkene, een Syrische vrouw, vroeg een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aan om bij haar kleinzoon in Nederland te verblijven. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees deze aanvraag op 20 januari 2021 af en verklaarde het bezwaar hiertegen op 20 april 2022 ongegrond. De rechtbank verklaarde het daarop ingestelde beroep van betrokkene gegrond, vernietigde het besluit en bepaalde dat de staatssecretaris een nieuw besluit moest nemen.
De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank onvoldoende rekening had gehouden met de belangenafweging die de minister had gemaakt, met name ten aanzien van de algemene veiligheidssituatie in Syrië, het economisch belang van de Nederlandse staat, de aard en intensiteit van het gezinsleven en de mate van belemmering om het familieleven in Syrië uit te oefenen.
De Afdeling stelde vast dat de minister terecht had meegewogen dat betrokkene voldoende zorg en medische ondersteuning in Syrië ontvangt, dat het economisch belang van Nederland in het nadeel van betrokkene en referent mag worden meegewogen, en dat de relatie tussen grootouders en kleinkinderen minder bescherming behoeft dan die tussen ouders en kinderen. De Afdeling vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de minister ongegrond.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep van de minister ongegrond.