ECLI:NL:RVS:2024:3955
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek om overkomst naar Nederland voor Afghaanse medewerker EUPOL en gezin
Appellanten, bestaande uit een Afghaanse man die van 2012 tot 2016 als monteur werkte voor Nederlandse functionarissen van de European Union Police Mission in Afghanistan (EUPOL), zijn samen met zijn echtgenote en negen kinderen woonachtig in Afghanistan. Op 23 augustus 2021 diende hij een verzoek in bij de minister van Buitenlandse Zaken om hun overkomst naar Nederland te faciliteren.
De minister wees dit verzoek op 29 juni 2022 af, omdat appellanten niet onder de speciale voorziening vielen die bedoeld is voor medewerkers en kerngezinsleden van projecten gefinancierd door Nederlandse ministeries of personen die in de afgelopen twintig jaar voor Defensie of Nederlandse functionarissen van EUPOL hebben gewerkt. De rechtbank bevestigde dit besluit op 18 december 2023, waarna appellanten hoger beroep instelden.
De Raad van State oordeelde dat appellanten niet aannemelijk hadden gemaakt dat de man ten minste een jaar structureel substantiële werkzaamheden had verricht voor een Nederlandse functionaris van EUPOL in een voor het publiek zichtbare functie, een cumulatieve vereiste om onder de speciale voorziening te vallen. Daarnaast werd geoordeeld dat de motivering van het besluit voldoende was, ondanks dat de Kamerbrief niet als beleidsregel in de Staatscourant was gepubliceerd.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de aanvraag tot overkomst naar Nederland bevestigd.