ECLI:NL:RVS:2024:3956
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag overkomst naar Nederland van Afghaanse medewerker EUPOL
Appellanten, bestaande uit een Afghaanse man, zijn echtgenote en zes kinderen, vroegen de minister van Buitenlandse Zaken om hun overkomst naar Nederland te faciliteren. De man stelde dat hij van 2009 tot 2016 als schoonmaker voor Nederlandse functionarissen van de European Union Police Mission in Afghanistan (EUPOL) had gewerkt.
De minister wees de aanvraag af omdat appellanten niet vielen onder de speciale voorziening die geldt voor medewerkers en kerngezinsleden van bepaalde Nederlandse projecten of voor personen die in de afgelopen twintig jaar voor Defensie of Nederlandse functionarissen van EUPOL hebben gewerkt. Appellanten betwistten dat zij niet onder deze groepen vielen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Raad van State bevestigde dit in hoger beroep. De Raad oordeelde dat de man niet aannemelijk had gemaakt dat hij structureel substantiële werkzaamheden had verricht voor een Nederlandse functionaris van EUPOL in een zichtbare functie, zoals vereist. Tevens werd geoordeeld dat de motivering van de minister voldoende was en dat het beleid niet in strijd was met het evenredigheidsbeginsel.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigde daarmee het besluit van de minister en de uitspraak van de rechtbank, en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van de minister tot afwijzing van de aanvraag wordt bevestigd.